2
"Welk een merkwaardige avond!" zeide zij bij zichzelve. "Zoo een heb ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid," en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling in het water.
Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haar twee-en-twintigsten verjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.
Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in 't oog moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals Geoffrey Bingham dat voor 't eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop, aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte, en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van den harden stempel der "beschaafde" vrouw. Zij, die dat gelaat bezat, was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden, en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze oogen--namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek is en wie het willen bestudeeren.
Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was; haar schoonheid was te in 't oogvallend om voorbijg